Scouting Maassluis logo

Geschiedenis KD

Hieronder staat het verhaal van de heer J. Meijer. Hij beschrijft hoe hij vanaf zijn jeugd betrokken is geweest bij de scouting en hoe dit geleid heeft tot het oprichten van de Karel Doorman groep. Tijdens het 60 jarig jubileum is de heer Meijer op de groep langs gekomen en heeft hij het onderstaande verhaal bij ons verteld. De heer Meijer is op 26 oktober 2009 op 82 jarige leeftijd overleden.
Inleiding
Tijdens de reünie ter gelegenheid van het 40-jarig bestaan van de Karel Doormangroep, eigenlijk van de padvinderij/scouting van Maassluis, bleek mij tot mijn verrassing dat men over erg weinig gegevens beschikte over de eerste jaren van die periode. Het zal niet zo erg lang meer mogelijk zijn insiders uit die tijd nog om inlichtingen te vragen, zodat het mij goed lijkt datgene wat ik mij nog kan herinneren schriftelijk vast te leggen, opdat een voor de Maassluise scouting belangrijke periode niet geheel verloren zal gaan. Daarbij zal ik ook enige aandacht geven aan vragen die mij tijdens de reünie werden gesteld, zoals “hoe kwam je er eigenlijk toe in Maassluis de padvinderij op te richten” en “hoe ging het vroeger eigenlijk, leek het een beetje op nu?”
Het begin van scouting in maassluis        1930-1945
Vroeg in de dertiger jaren is tot tweemaal toe een poging gedaan in Maassluis een padvindersgroep op te richten. Beide keren heeft die poging slechts zeer kort succes gehad, zo kort zelfs dat, voor zover mij bekend, beide pogingen zelfs niet tot een installatie/erkenning hebben geleid. Officieel heeft in Maassluis vóór 1945 dan ook geen padvinderij bestaan. Waarom beide pogingen zijn mislukt, is niet met zekerheid te zeggen. Naar mijn idee is de belangrijkste oorzaak daarvan geweest de nogal elitaire opzet, waardoor voldoende grondslag voor een werkelijke levensvatbaarheid ontbrak. Ook het feit dat, zover mij bekend, de zondag voor de troepbijeenkomsten was uitverkoren, zal in het vooroorlogse Maassluis bepaald niet stimulerend hebben gewerkt. Enkele namen: Dirkzwager, Coumans en V.d. Endt, de latere Oubaas. Zelf had ik al vroeg belangstelling voor de padvinderij, waarmede ik dus in Maassluis nergens terecht kon. Wel had ik een vriendje in Vlaardingen, welp bij de W. de Zwijgergroep, die mijn belangstelling zeer stimuleerde. Voor mijn ouders was mijn stijgend enthousiasme aanleiding in 1937 – ik was toen 10 jaar – met mij de Wereldjamboree in Vogelenzang te bezoeken. Gevolg was dat ik mijn zin kreeg, ik mocht welp worden en natuurlijk bij de groep van mijn vrindje. Informatie leerde al gauw dat dit laatste niet mogelijk was. Er was namelijk een troep in Vlaardingen, de St. Joristroep, die een nood lijdend bestaan leed; de andere troepen namen daarom tijdelijk geen nieuwe leden aan. Dan maar welp bij de St.Jorisgroep, doch daarvoor waren eerst nog twee problemen te overwinnen. In de eerste plaats was er een fiets voor nodig en die had ik niet. Mijn spaarpot, plus enkele weken zakgeld, brachten de benodigde f. 47,50 op tafel; de fiets werd gekocht. Het andere probleem lag moeilijker. De St. Jorisgroep had namelijk het meeste gebrek aan verkenners en met name aan een patrouilleleider! Als 10-jarige was ik daar echter te jong voor. Ik kreeg daarom tot mijn 11e een soort “stageperiode” bij de verkenners aangeboden, waarna ik dan, mits aan de eisen voldoend, tot verkenner en vervolgens pl zou worden geïnstalleerd. Alles verliep gelukkig naar wens, zodat ik bij mi 11e verjaardag – in 1938 – tot p.l. werd geïnstalleerd, achteraf vreemd omdat je normaal niet voor je 12e verkenner werd, laat staan p.l. Een en ander verhinderde niet dat tegen het einde van dat jaar de troep toch de strijd moest opgeven, zodat ik per 1 januari 1939 alsnog naar mijn eerste keuze, de W. de Zwijgergroep overging, nu als a.p.l. Een goed jaar later echter kreeg ik ook daar een eigen patrouille en was ik dus weer p.l.
Scouting in de tweede wereldoorlog
Kort daarop begon de tweede wereldoorlog. In de twee eerste jaren daarvan ging de padvinderij door, openlijk, niet verboden, doch als een “Engelse” organisatie door de Duitsers kritisch, argwanend in feite vijandig bekeken. Er moest dus uiterst behoedzaam worden gewerkt. Geliefkoosde werkterreinen waren: de toen aanwezig rietvelden, met struiken begroeit, tussen Wilhelminahaven en H.V.O. en het “Sterrebos’. In die jaren groeide – gestimuleerd door de bezettingssituatie – de saamhorigheid tussen de leden van de troep uitermate, zodat een echte vriendenclub ontstond. Leiding aan net geheel werd gegeven door hopman Van Driel, de latere districtscommissaris, en vaandrig Schippers. Naar ik meen eind 1941 of begin 1942, ik was net “senior-p.l.” geworden ondanks mijn jeugd, werd de padvinderij op last van de Duitsers opgeheven. In de twee jaren die daarop volgden gingen we zo goed en zo kwaad als het ging “ondergronds” door. We gingen zelfs op zomerkamp al was het niet in tenten. Eenmaal bivakkeerden we in daartoe ingerichte kippenhokken aan de Reeuwijkse plassen en tweemaal in een bungalowkamp – “Sax enheim” – in Nunspeet. Doordat leden moesten “onderduiken”, in “het verzet” waren gegaan of werden “opgepikt”, dunde de troep steeds verder uit, terwijl ook de risico’s van bijeenkomen steeds groter werden. Vóór de winter 1944/1945 kwam alles dan ook echt stil te liggen.
De oorlog is afgelopen, hoe scouting daarna verder ging:
Voor de oorlog waren de verschillen tussen “arm” en “rijk” veel groter dan nu; zij waren bovendien vaak veel duidelijker zichtbaar. Er waren, het klinkt haast ongelofelijk, vele kinderen met gerafelde, vaak zelfs gescheurde kleren. Meestal speelden die arme kinderen niet met de rijkere en omgekeerd. Wat je in de padvinderij toen onder meer duidelijk werd gemaakt, was dat het hem niet in de welstand, niet in de kleren zat, maar dat mensen op hun innerlijk beoordeeld moesten worden. Op dat punt werkte de beweging dus echt maatschappijvernieuwend. Nu begrijp je misschien ook beter de oorsprong van het uniform. Dit was niet bedoeld om er als een soort militairen bij te lopen, nee, de opzet zal veel dieper! De – eenvoudige en niet zo dure – uniformen maakten dat je de uiterlijke verschillen tussen arm en rijk niet meer zag; je lette er meer op of iemands uniform – en de drager daarvan – er wel schoon en netjes uitzag. Het uniform bevorderde dat men zich niet beter of minder dan de ander voelde. (Voor degenen die geen uniform konden kopen bestond er een fonds, waaruit in dat geval – zeer vertrouwelijk – de kosten werden betaald, zodat ieder lid in uniform kon komen). Die natuurlijke, normale omgang, zonder aanzien des persoons, werd door allen ervaren als plezierig en bevrijdend. Dit aspect, de ervaren vriendschap, en het avontuurlijke, tevens leerrijke van het padvindersgebeuren, hebben bij mij een blijvende indruk achtergelaten. Mijn karakter en mijn levenshouding zijn daardoor duidelijk beïnvloed. Dat de invloed van de padvinderij zo groot kon zijn, vond overigens mede zijn oorzaak in het feit dat er verder voor de jeugd in de vooroorlogse- en in de oorlogsjaren in het algemeen erg weinig andere recreatiemogelijkheden waren. Veel meer dan kerkelijke jeugdverenigingen, één á twee uur per week, vaak door de ouders verplicht, en de gym, één uur in de week, ook vaak verplicht, was er nauwelijks om de jeugd georganiseerd bezig te houden. Op zich uitermate nuttige organisaties, doch met een beperkt werkveld en niet voor alle jongeren een voldoende alternatief. Het leek mij daarom goed, na vijf oorlogsjaren, die met name voor de jeugd niet veel te bieden hadden gehad, ook voor de Maassluise jeugd de gelegenheid te creëren het “spel van verkennen” te gaan spelen, en de rimboe voor de jongeren onder hen te openen.
De (her-)start van scouting in maassluis
Reeds enkele dagen na de bevrijding door mij aan verschillende winkeldeuren een uitnodiging werd opgehangen voor de oprichtingsvergadering voor een Maassluise padvindersgroep. Het werd een succes. In het bewuste lokaal, ons eerste troephuis, een gewezen pakhuiszolder boven de Vishal van de heer akker, verschenen precies geteld 247 jongens. Ondanks de door twee personen gedane toezegging als kandidaat-leider aanwezig te zullen zijn, stond ik er – koud 18 jaar oud – helemaal alleen voor. Zoveel kwetterende jongeren zonder technische hulpmiddelen alleen toespreken, valt normaal al bepaald niet mee. Toen was het echter vrij onmogelijk omdat de aanwezigen waren gezeten op lege kaakblikken, door onze bevrijders – gevuld – als voedselhulp ons land binnen gebracht. Ik had 250 van die dingen – figuurlijk – op de kop getikt; dit laatste deden de jongens – letterlijk – met groot enthousiasme. Al snel werden zij, met een formulier ter invulling, voor een week naar huis gestuurd. De kale en vieze zolder, gelegen ongeveer daar waar nu de Havenstraat op de Haven uitkomt, overigens door de heer Wakker geheel gratis ter beschikking gesteld, werd vervolgens met vereende krachten geboend en gewit en van de meest noodzakelijke zaken als kapstokken, enkele kasten en tafels voorzien. Inmiddels was (kandidaat-)Hopman Van Dalsum bereid gevonden tezamen met mij de verkenners leiding te geven, had Akela Hamakers zich bereid verklaard zich over de welpen te ontfermen, terwijl mijn vader, de heer K. Meijer, als onze eerste Oubaas toetrad. Alle leden kregen een armband om hun padvinder-zijn aan te geven; de Karel Doormangroep had gestalte gekregen! Een aantal van de meest geschikte en gemotiveerde leden waren door mij geselecteerd als kandidaat patrouilleleider. Zij kregen twee á driemaal in de week door mij instructie en training. Die gezellige bijeenkomsten in schuurtjes, slaap- en zolderkamertjes zal ik nooit vergeten. De jongens waarop ik nu doel vormden in feite de pioniers van de Maassluise padvinderij. Hun namen verdienen dan ook vastgelegd en voor de toekomst bewaard te blijven. Het waren: Arie den Broeder, Arie van Dintel, Gert v.d. Endt, Bert Hartog, Arie en Siem Kortieven, Wim en Zeeger Mouton, Jan van der Molen, Aad van der Mooren, Frans en Siem Mosterd, nog een Frans Mosterd, Piet Piket, Rien van Staalduinen en Leen Westdijk. Zo gingen we aan de slag en er werd voortgang geboekt totdat we, helaas, in september 1945 ons troephuis kwijt raakten. Een ander bleek op dat moment niet te krijgen; goede raad was duur. Om de troep bij elkaar te houden, werd een noodoplossing gevonden. Van de Minister de Visserschool, kon tijdelijk zaterdagsmiddags de gymnastiekzaal worden gehuurd, waar we, onder de vrijwillige leiding van de heer ‘t Hart op sportieve wijze bezig waren. Dit gold voor de verkenners de welpen hadden hun hordehol zover ik mij herinner toen in “Ons Huis” in de Wagenstraat. Voor de verkenners gold voorts dat de instructie van p.l.’s en a.p.l.’s door mij en die van de patrouilles door die p.l. en a.p.l.’s in schuurtjes en kamertjes werd voortgezet, terwijl daarnaast lezingen werden georganiseerd, door C.J.M. van der Hidde (Zeesleepvaart) en K. Meijer (vlaggen- en morseseinen) en cursussen werden gegeven, zoals E.H.B.0. (C.Tuitel en knutselen( Westdijk)). Bootsman Smoor organiseerde voorts een variëtéclubje. Inmiddels was voor Katholieke verkenners de Jan van Hoofgroep opgericht onder leiding van Hopman Pieters. Als troephuis fungeerde een grote voormalige Duitse bunker naast de toenmalige R.K. kerk, thans “Schuurkerk”. De K.D.-groep hield daardoor nog een 100 leden over. Gelukkig kon in november weer een eigen troephuis worden betrokken, nu in de Generaal de Wetstraat. Een nieuwe leider was gevonden, de heer Van der Stelt, die in het nieuwe troephuis als (kandidaat) Hopman ging optreden, daarbij – evenzeer als zijn voorganger – ondersteunt door ondergetekende, nog steeds de enige echte – geïnstalleerde – padvinder in Maassluis. Hopman Van Dalsum vertrok, met een 30 tal jongens, als (kandidaat-)Schipper met een zeeverkennerstroep – de Ruytergroep” – naar een ruimte in de Nieuwstraat, boven-achter zijn drogisterij (thans de winkel van De Nie). Hij werd daar geassisteerd door (kandidaat)Stuurman Smoor. Onder Hopman v.d. Stelt bleven de resterende ca 65 verkenners van de Karel Doormangroep aan de Generaal De Wetstraat gehuisvest. Vervolgens werd Oubaas Meijer opgevolgd door Oubaas Van der Endt, welke laatste een enorme stimulator voor de Maassluise padvinderij is geweest, gedurende vele, vele jaren. Op 24 november 1945 gingen voor het eerst welpen over naar de verkenners, namelijk Jan de Baar, Jan Ouwenbroek, Theo van Tong Hans van Noort, Jaap Hartog, Kees de Vos, Marinus v.d. Knaap en Frans v.d. Burg (later de beste knopenlegger van de groep).
De eerste installatie bij de Karel Doorman groep
Een bijzonder belangrijke dag was 15 december 1945. De assistent-district commissaris Hopman Sunderman en Akela Welker waren naar Maassluis gekomen voor de eerste installatie die in Maassluis heeft plaatsgevonden. In aanwezigheid van de plaatselijke commissie, bestaande uit: ir. W. van Beelen (voorzitter), A. v. Putten (secretaris), Joh. Hartog (penning meester), mw. Van Duiken en L.J. Mosterd, werden toen in het gymnastiek lokaal van de Min. de Visserschool geïnstalleerd: Akela Hamakers en – als welp – de vijf kandidaat-nestgidsen en hun helpers, vervolgens Oubaas Van der Endt, Hopman Van der Stelt, Schipper Van Dalsum, Vaandrig Meijer, die in plaats van zijn voorlopige volmacht – tot dat moment de enige in Maassluis – zijn definitieve kreeg en Stuurman Smoor. Tenslotte werden als verkenner geïnstalleerd de kandidaat p.l.’s Gert v.d. Endt, Arie en Siem Kortieven, Frans Mostert, Aad v.d. Mooren en Rien van Staalduinen. Inmiddels waren de (kandidaat) Vaandrigs Adriaan van ‘t Wout, Jan van Son en Leo v.d. Hidde toegetreden, terwijl Akela Hamakers ondertussen werd bijgestaan door Baloe Knop, Grijsboer, later Baghera, Piket, Chil Roodenburg, Raksha van Dijk en Wim Goos. De zaterdag voor Kerstmis 1945 hadden we de eerste kerstdienst van een hele rij. Ds. Van Garderen ging voor, de heer Binnenkade las een kerstverhaal en de heer J.J. Roelofs bespeelde het orgel. Voor deze en de volgende kerstdiensten was een bijzondere reden. De KD-groep was vanaf de oprichting een groep waar plaats was voor een ieder, van welke (geloofs)overtuiging dan ook. Dat lijkt nu niets bijzonders, toen was het dat wel. Men was toen nog gewend het verenigingsleven – eigenlijk de gehele maatschappij – in te delen naar de verschillende richtingen als: Gereformeerd, Hervormd, Katholiek, terwijl de “rest” dan als “algemeen” werd ingedeeld. Na diverse gesprekken met vooraanstaande vertegenwoordigers van de diverse groeperingen was het mij gelukt medewerking voor oprichting van een “niet gekenmerkte” groep te verkrijgen onder de nadrukkelijke voorwaarden dat: a.         Ieders overtuiging binnen de groep zou worden gerespecteerd en daarmee rekening zou worden gehouden en b.         Dat jaarlijks een kerstdienst zou worden gehouden en een dienst tijdens het zomerkamp zou worden bijgewoond, althans door degenen die dit van huis uit gewend waren. De patrouilles hadden dierennamen; van de K.D.-groep herinner ik mij: Futen, Zwaluwen, Koekoeken, Arenden, Houtduiven, Kieviten, Reigers en Sperwers; van de Jan van Hoofgroep: Zwaluwen, Kieviten en Zeemeeuwen en van de Adm. De Ruytergroep: Bevers en Reigers. In januari 1946 werden de zeeverkenners (Adm. de Ruytergroep) versterkt met (kandidaat)bootsman Leen Westdijk, terwijl op 14 februari de welpen gebouw “Ons Huis” (Wagenstraan) een ouderavond hielden. Vermeldenswaardig was daar een Rimboespel waarin hoofdrollen werden gespeeld door Baloe Knop, in een echte pels gekleed, en mijn broer Koen Meijer, die Mowgli spraakmakend gestalte gaf. Voor dit feest werden eerst bij de ouders kolen (voor de verwarring) en koffie, boter en suiker(voor de versiering) ingezameld. Er werden ook zelfgemaakte spulletjes verkocht. Op 15 februari 1945 werden Gert v.d.Endt, Arie en Siem Kortieven, Frans Mostert, Aad v.d. Mooren en Rien van Staalduinen tot patrouilleleider geïnstalleerd en de kandidaat) a.p.l. ‘s A. v.d. Burg, Arie van Dintel, Koos Groeneveld, Leen v.d. Meer en Jan v.d. Molen tot verkenner. Drie weken later werd Baloe Knop geïnstalleerd. Even eerder in die maand waren de zeeverkenners voor het eerst gezamenlijk “scheep gegaan”; zij mochten met de “Urk 41” meevaren naar Rotterdam v.v.
Weer een nieuwe locatie
In maart 1946 verliet Arie de Broeder, één der pioniers, de troep, en betrok de groep een nieuwe behuizing, ditmaal aan de Govert van Wijnkade. Dit werd het gezamenlijk “home” voor verkenners, zeeverkenners en welpen, omdat allen hun eigen onderkomens hadden moeten verlaten. Er werden nog steeds (ook) kaakblikken als zitplaats gebruikt! Nadat we op 20 maart 1946 in het Oosterzwembad in Rotterdam deelnamen aan zwemwedstrijden van het district Rotterdam, gingen we voorbereidselen treffen voor het eerste kamp. Een mogelijkheid tot sparen werd geopend want kamperen was een kostbare aangelegenheid; er moest rekening worden gehouden met wel ongeveer f. 1,25; á f. 1,50 per kampdag! (ongeveer 50 á 60 euro cent)   Op 12 maart 1946 werden van de Adm. de Ruytergroep geïnstalleerd: bootsman L. Westdijk, baksmeesters: G. Hartman, B. Hartog, C. Kalkman, en R. v.d. Ree en vice-baksmeesters: B. van Dorp, S. Jol, A. Meinster en T. Mei. Op 30 maart 1946 ontvingen Oubaas Van der End en Hopman Van der Stelt hun (definitieve) volmacht als zodanig en werden tot verkenner geïnstalleerd: Siem Mosterd, Leo de Jager, Piet van Rijn, Joop Lievaart, Leen Sonneveld, Daan Kloppenburg, Arie v.d. Zwan, Nico van Namen, Huib Piket en Jan Oprel en als zeeverkenner: Jaap Valstar, Jaap Vreugdenhil en Bram Boudestein. Op 6 april werden vervolgens tot verkenner geïnstalleerd: Anne van der Burg, Henk Spanjersberg, Siem Dijkshoorn en Marius Westdijk. Inmiddels hadden Vaandrig Van Son (i.v.m. werk) en Vaandrig v.d. Hidde (mil.dienst) de troep verlaten, kort daarop gevolgd door Hopman v.d. Stelt (werk) en Vaandrig Van ‘t Wout. Aangezien hij inmiddels met goed gevolg de cursus “Verkennersleider” had gevolgd, volgde Vaandrig Meijer de Hopman als zodanig op, ondanks zijn nog geen 19 jaar. De troep werd voorshands geleid door Oubaas Van der Endt en Hopman Meijer samen. Op 13 april gingen er voor de tweede maal welpen over naar de verkenners: Koos Henneveld, Henk de Bruin, Kees Lievaart, Hans van Riet, Cor Warbout en Adrie Verhagen (zeeverkenners). Op 20 april werden tot zeeverkenner geïnstalleerd: Charles v.d. Hidde, Jan Kouwenhoven en Jan van Straten. Op 23 april 1946 werden de eerste 2e klas insignes uitgereikt aan de p.l.’s: Frans Mostert, Arie en Siem Kortieven, Rien van Staalduinen, Aart van der Mooren en Gerrit van der Endt. In mei 1946 werd wederom een nieuw groepshuis betrokken, ditmaal boven de toenmalige garage Van Wingerden aan de Noordvliet. Voor de patrouillehoeken en de nesten werden rietmatten gebruikt. Verkenners, zeeverkenners en welpen vonden hier een prima onderdak. Ondanks de drukte van de verbouwing deden de kaderpatrouilles van de K.D.-troep en de Adm. de Ruytergroep mee aan de kaderwedstrijden van het onderdistrict. De K.D.-patrouille werd tot groot enthousiasme winnaar. Helaas kon niet aan de districtwedstrijden worden deelgenomen om dat die op zaterdag èn zondag werden gehouden. Dat was voor onze groep beslist uitgesloten. Inmiddels had ook de Adm. de Ruytergroep een horde gekregen, onder leiding van Akela Van Gendt. Pinksteren 1946 hielden de zeeverkenners hun eerste (4-daagse) kamp in Huizen (NH). Van 12 t/m 21 augustus was daar ook het eerste zomerkamp van de K.D.-groep. Er namen 52 jongens en 4 leiders aan deel; Piet van Rijn fungeerde als hoornblader, de Reigers en de Futen regenden uit hun tent en werden over de andere – reeds welgevulde – tenten verdeeld. Koken was door de 14 dagen durende regenbui zeer problematisch. Van 9 tot en met 20 augustus kampeerde ook de Adm. de Ruytergroep in die gemeente, echter geheel aan de andere kant van het dorp. Eind juni 1945 telde de Adm. de Ruytergroep nog 11 jongens in 2 bakken (patrouilles). Op 26 juni werd Adrie Verhagen geïnstalleerd, toen waren er dus 12. Vervolgens werden de 2e klas insignes uitgereikt aan Cor Kalkman, Siem Jol, Jaap Hartog, Bram van Dorp, Rinus v.d. Rhee en Charles v.d. Hidde, dus aan 6 van de 12. Ik herinner me uit die tijd nog een 7e: Joop van Driel. Op 29 juni werden 9 welpen geïnstalleerd: Henny Verhey, Siem Varenkamp, Kees v.d. Meer, Wim Pols, Nico Voogd, Arie Warnaar, Kees van Gijzen, André Cune en Henny van Rossen. In september 1946 werd een meisjesvendel opgericht, onder leiding van Guido J.W. ter Borg, waaraan een groep kabouters werd toegevoegd onder leiding van Oebi Lolkus, met hulp van mej. E. v.d. Hoeven. Op 7 september ontvingen Siem Mosterd, Leen vd. Meer, Joop Vreugdenhil hun insigne 2e klasse, waarna 6 welpen werden geïnstalleerd: Roel Siegert, Bert Blok, Wim Hoogvliet, Bert Brinkman en Aad van ‘t Wout. Nadat inmiddels een tweetal kandidaat-leiders zich had gemeld, t.w. Piet van der Heul en Cor van der Meer, werd op 5 oktober 1946 Hopman Meijer als zodanig geïnstalleerd. Assistent-districtscommissaris Sunderman noemde daarbij de K.D.-troep de beste van het district! Tezelfdertijd kreeg Akela Hamakers assistentie van Raksha Teunissen en Chil van der Bent. In november 1946 werd een voortrekkersstam opgericht waarmede de Maassluise groep compleet was. In de bijgebouwen van het Drukkerijbedrijf van Oubaas Van der Endt werd met veel zelfwerkzaamheid en veel inventiviteit een stamhut gebouwd. Frans Mosterd was zo stijf geworden dat hij nog slechts tot de -uiterst nuttige- functie van “bijlichter” in staat was, terwijl Piet van der Heul nog weken lang met een blauwe duim rond liep. Inmiddels was de Jan van Hoofgroep zonder leiding komen te zitten. In oktober en november 1946 werd het groepshuis aan de Noordvliet door Hopman Meijer en een groep p.l.’s geheel gerenoveerd. Met hout van de gesloopte verduisteringsluiken van kistenfabriek De Neeff en grote hoe veelheden karton en jute werden nieuwe patrouillehoeken en welpennesten gemaakt. De vrijkomende rietmatten werden overgebracht naar de stamhut waar ze tegen de kale muren werden gespijkerd. Een historische gebeurtenis was dat bankjes werden getimmerd, waardoor eindelijk de koekblikken als zitmeubilair verdwenen. Op 7 december 1946 trad een nieuwe welpenleidster toe: Loes Ouwenbroek. De Kerstkerkdienst dat jaar werd geleid door ds. Dijkstra, de heer J.J. Roelofs bespeelde het orgel en ook door enkele ouders, verkenners en leiders werden actieve bijdragen geleverd. Op 11 januari 1947 bestond de welpenhorde uit 51 welpen, terwijl er enkele tientallen op de wachtlijst stonden. Die middag kregen hun 2e ster: nest bruin: Ernst Bergema, Piet van der Burg, Piet van Dijk, Dolf Eendenburg en Bert Brinkman; nestgrijs: Oscar Hamakers, Jan van Beelen, Roel Siegers, Jan Goos; nest rood: Henk van der Meer, Koen Meijer, Arie Warnaar; nest wit: Kees Boudestein, Aat Tulling, Hans Hartog, Henny Verhey. Op 15 januari 1947 nam Baboe Knop, wegens vertrek, afscheid. Die middag kregen hun insigne verzamelaar: Roei Siegers en Ernst Bergema. Op 1 februari werd de “Olave”(meisjes)groep als zodanig geïnstalleerd in de gymnastiekzaal van de Minster de Visserschool. Het was bitter en er was nog bijna geen verwarming mogelijk, zodat het een bibberige en klappertandende plechtigheid was. Op 19 maart 1947 werden Joop Smolders en Jaap Teunisse tot welp geïnstalleerd. Raksha Teunisse nam die middag afscheid wegens vertrek naar Sneek en werd opgevolgd door Raksha Ouwenbroek. Ook Akela Van Gendt vertrok naar elders. Haar plaats bij de Adm. de Ruytergroep werd opgevuld door Baghera Pike bijgestaan door Baloe en Raksha. Akela Hamakers kreeg het toezicht – de voogdij – over beide hordes, die elk onder eigen directe leiding stonden, de K.D.-horde onder Akela Van der Meer (na haar huwelijk Van der Pol-Van der Meer), Baloe Van Dijk, Chil v.d. Bendt en Raksha Ouwenbroek. De zeeverkenners hadden inmiddels een eigen zeilboot gekocht. In de Paas vakantie werd hij uit zijn ligplaats in Huizen gehaald en naar een werf in Vlaardingen gebracht om opgeknapt te worden, zodat hij in het voorjaar zeilklaar zou zijn. Op 22 maart 1947 werd de “Oud Papier Actie” (O.P.A.) gestart, die vele jaren zou worden voortgezet, zodat het jaarlijkse kampgeld laag kon worden gehouden. Er waren jaren dat meer dan f. 1000,– werd “gevangen”, terwijl het kamperen toen voor de deelnemers f. 12,50 voor 14 dagen kostte (ong. 5.65 euro). De K.D.-groep werd inmiddels geleid door Oubaas Van der Endt (“voogd/ supervisor”), Hopman Meijer en Vaandrig Van der Heul, de latere Hopman. Zomer 1947 werd het tweede zomerkamp gehouden, nu in Uchgelen. Dit keer was het gloeiend heet, maar de koude “sprengen”, een soort beekjes, ontstaan uit natuurlijk bronnen, gaven een prima mogelijkheid tot af koeling. Vele deelnemers toonden een ware vraatzucht, een brood per man per dag was bepaald geen uitzondering! Aangezien Hopman Meijer inmiddels in dienst was -en voor het zomerkamp geen vrij kreeg- trad Vaandrig Van der Heul daar voor de eerste maal als Hopman op; hij bleef dat tot 1951. In plaats van Oubaas-supervisor, een Hopman en een vaandrig, was de situatie bij de K.D.-troep toen als volgt: Oubaas-supervisor en twee Hoplieden. Niet lang daarna werd, naar ik mij meen te herinneren, Frans Mosterd Vaandrig; later zou hij ook nog Hopman worden. Ik meen dat eveneens in die tijd Schipper van Dalsum werd opgevolgd door Schipper Fortuin, die wat later als Bootsman werd opgevolgd door Bootsman Valstar. Enkele nog niet genoemde welpen die ik mij uit die tijd herinner zijn: Dirk Kloppenburg, George Ort, Arie Verploegh, Daan Sonneveld en Van der Zwan. Het zomerkamp 1948 zou in ‘t Harde worden gehouden. De “kwartiermakers” signaleerden echter dat de granaten daar vlak over de kampplaats vlogen. Gelukkig lukte het alsnog om ook dit jaar in Ugchelen te kamperen, zij het niet op dezelfde plaats als in 1947. We maakten enkele zware onweersbuien mee; in een naburig kamp sloeg zelfs de bliksem in, terwijl daar ook de hele kampboel heuvelafwaarts spoelde. Koos Henneveld kwam aanwandelen met een 50 cm lange adder, die – gelukkig – even later spontaan het leven liet (niet Koos…, de adder!). Anderen verblijdden de leiding met een nog in goede staat zijnde bazooka (= draagbare granaatwerper). Eerdergenoemde Koos presteerde het ook nog midden in een wespennest te vallen. Kampkosten voor 14 dagen, als gezegd, f. 12,50 per persoon, incl. reiskosten, dankzij de Oud Papier Actie. Het zomerkamp 1949 was in de Lage Vuurse. We waren uitermate jaloers op een groep Engelsen die vlakbij kampeerde. Zij hadden schitterende nylon tentjes. De eerste echte regenbui echter noodzaakte hen in onze tenten gastvrijheid te zoeken, die wij gaarne verleenden. Oubaas Van der Endt had zich – nu er adequate leiding was – voordien al van de troep teruggetrokken en hield zich nog uitsluitend met de stam bezig. Dat wij hem nog regelmatig tegen het lijf liepen, kwam doordat ook de troep inmiddels achter zijn drukkerij in zijn gebouwen aan de Zuidvliet onderdak had gekregen. En bij te veel herrie onzerzijds, of bij behoefte aan krachtige papiersnijders zijnerzijds, ging de geheimzinnige schuifdeur tussen drukkerij en troephuis open en stond hij, resp. vermanend (basgeluid), dan wel uitnodigend (tenorhoogte) in de deuropening, die door zijn flinke gestalte vrijwel geheel werd gevuld. We waren inmiddels ruim 4 jaar bezig en we waren de aanloop en (kinder)ziektenperiode voorbij. Veel bijzonderheden zijn dan ook niet meer te melden; mijn aantekeningen, gegevens en geheugen leveren niet veel meer op. Daar ik inmiddels buiten Maassluis was gaan werken en zaterdags meestentijds pas in de loop van de middag weer op mijn domicilie terugkeerde, namen mijn activiteiten voor de groep geleidelijk af. Gedurende de drie jaren dat ik in dienst was, lukte het mij meestal de zaterdag middag beschikbaar te zijn, in 1950 – in een burgerbaan – ging dat niet meer. Het clubblad “ ’t Goede Spoor”, dat ik al die tijd als hoofdredacteur had geleid, hield daardoor in de loop van 1950 op. Er werd niemand gevonden om het blad “te trekken”. Gelukkig was Hopman Van der Heul geheel ingewerkt, zodat hij als Hopman de verantwoordelijkheid geheel op zich nam, naar ik meen geassisteerd door Vaandrig Mosterd. Die zomer – 1950 – werd het zomerkamp in Austerlitz gehouden, een goed kamp, waar diverse spelen werden gedaan. In 1951 vertrok Flopman Van der Heul, waarna – dacht ik – Hopman Mosterd de leiding overnam. Hij bleef die functie zover ik weet uitoefenen tot 1956, jaren waarin de groep op een goed peil en op plezierige wijze “draaide”. Zomerkampen werden in 1952 in Hilversum, in 1953 in Moergestel, in 1954 in Ermelo en in 1955 in Nispen gehouden. Ik weet over het al dan niet welslagen daarvan niets, doch er zijn beslist anderen die daar nog wel iets over kunnen vertellen. Inmiddels was op Koninginnedag 1954 de eerste oliebollenactie georganiseerd, die sindsdien voortgezet is als een jaarlijkse traditie, naar ik meen tot nu toe! In juni 1955 werd ter ere van het tienjarig bestaan een kampvuuravond georganiseerd. Hier is mijn informatiebron vrijwel geheel uitgeput. Ik weet nog dat omstreeks 1956/1957 Hopman Siepman de leiding kreeg en dat deze Hopman de oliebollenacties bijzonder stimuleerde, dat in ‘56 en ‘57 en ‘58 gekampeerd werd, resp. in Soest, Loenen en Ommen en dat in 1957 de Zwaluwen aan de landelijke patrouillewedstrijden mochten deelnemen. Hopman Siepman vertrok omstreeks 1958/1959 en werd opgevolgd door ??? Was dat misschien door Hopman Warnaar? Kampeerde hij in 1959 en 1960 in Austerlitz en Loenen? Wellicht dat anderen daar antwoord op kunnen geven. Kort na 1960 is, meen ik, het “troephuis” achter het zwembad betrokken, dat helaas geleidelijk wegzakte. Tot slot nog enkele losse gegevens. Ook de welpen kampeerden in die tijd. Zij kenden daar zelfs een gezamenlijke spaarbus voor, die werd gevuld door eigen verdiend (en ook wel ander) geld. Behalve dit bijzondere initiatief van Akela Hamakers had zij er nog één: de welpen kenden donateurs! Dit alles maakte het mogelijk dat de welpen voor een zeer redelijke prijs kampeerden, in:  
1947 Hilversum 1954 Bilthoven
1948 Zeist 1955 Arnhem
1949 Dieren 1956 Hilversum
1950 Driebergen 1957 Benthoven
1951 Hilversum 1958 Bilthoven
1952 Bussum 1959 Nunspeet
1953 Wassenaar 1960 Bilthoven
          Behalve de reeds genoemde welpenleiders/sters zijn mij nog bekend: Akela Mosterd, Wontolla Ebling en Akela Mulder. Resten mij nog enkele namen van oud-leden uit de eerste ca 10 jaar: Jaco Bergwerff, D. Fortuin en Kees Fortuin, Joop Haakma, Hans van Hartingsveld, Kees v.d. Hidde, Henk v.d. Kieft, P.L. van Leeuwen, Jan Mosterd, W.B. Mouton, Henk Sonneveld, Huib v.d. Velde, Peter Visser, Pichard Volker en J. van Wasbeek. Dit waren alle gegevens, gedachten en herinneringen die ik nog kende, dan wel die bij mij opborrelden, over die prachtige periode, prachtig voor allen die hem meemaakte, die het begin was van wat thans Scouting Maassluis wordt genoemd.  
 September 1985  J. MeijerMaasland
Award 2013

Kinderen & veiligheid

Wij vinden veiligheid belangrijk. Werken met kinderen betekent een stap zetten om misbruik tegen te gaan. Al onze leiding heeft een goedgekeurde (VOG) verklaring omtrent gedrag voordat zij lid mogen worden bij onze scoutinggroep.

Award 2011

Scouting Academy

Als vrijwilliger bij Scouting leer je veel. En bij scouting Academy kan je zelf modules volgen die handig zijn in je persoonlijke én zakelijke leven. Zo werken we aan een veilige en goede basis voor elke vrijwilliger.

Meer weten over ons vrijwilligersbeleid?

Scouting Maassluis Karel Doormangroep